Frontaal

Schrijven we dit aanelkaar of aan elkaar? Wat kun je met werkwoorden, bekend met de valkuil van de bijvoeglijke naamwoorden?
Frontaal is een blog over taalvraagstukken en tekstongelukken.



 

Laat woord werken

Ik rijg, zwoeg en ploeter.
Ik snijd af, haal in en toeter
Ik guts, hijg en foeter
ik peins, vis en hengel
ik druk, zwaai en zwengel
ik voeg, ik kit en mengel
Zonder een schitterende zin
of stralende uitkijk
met enkel de schoonheid
van noeste arbeid.


Vraag een willekeurig iemand waaraan hij denkt bij een werkwoord, dan hoor je vaak; de d’s en t’s. Is het nu vindt je moeder of vind je moeder? Maar een werkwoord is essentieel in een goede tekst. En zoveel meer dan alleen de werkwoordspelling. Een werkwoord werkt mee of tegen in een goed leesbare tekst.

Wellicht is de grootste valkuil in het construeren van een tekst, de fixatie op bijvoeglijke naamwoorden. Die, natuurlijk een tekst iets meer cachet  geven, maar al snel schrijf je dan bloemrijke teksten, wollige zinnen. Dat wil je voorkomen. Met bijvoeglijke naamwoorden moet je maat houden, doseren, sprenkelen.

Als een zin loopt, is dat fijn. Wellicht is dat nog niet genoeg, gelukkig is er het bijvoeglijke naamwoord. De mooie zin loopt. Aardig, al iets beter. Soms kun je in een zin met een bijvoeglijk naamwoord een tegenstelling creëren. De verlamde zin loopt, bijvoorbeeld. Dat roept al gelijk vragen op, wekt interesse. Maar waar je veruit het meeste in kunt vertellen, is in het werkwoord. Een werkwoord zegt iets over de centrale handeling of toestand, geeft het proces aan.
Kijk maar.
De zin loopt, de zin rent, de zin vliegt, de zin dendert, de zin huppelt.

Eén van de meest voorkomende tekstziekte is het gebruik van hulpwerkwoorden. Ze maken vaak een zin onnodig onduidelijk en vaag. Een hulpwerkwoord staat in dienst van het hoofdwerkwoord. Soms handig, maar vaak overbodig. De diva zou zich het liefste elke dag voor de spiegel zien staan. Dat kan korter en scherper. De diva staat het liefst elke dag voor de spiegel. Veel directer en duidelijker. Het hoofdwerkwoord is dus staan, maar misschien is er wel een specifieker werkwoord. Bijvoorbeeld poseren. De diva poseert het liefste elke dag voor de spiegel.

Ik word gek van sommige werkwoorden en al helemaal van meerdere werkwoorden in één zin. Daar komt bij dat sommige werkwoorden, zo voor de hand liggen dat men ze vaak gebruikt. En veelal lezen we die woorden niet, grijpt ons die zin niet. We doen maar wat, hebben er geen oog voor, zijn er niet mee bezig. Om maar wat voorbeelden te noemen.

Het werkwoord is het meest ambachtelijke gedeelte van een schrijver. Ik hou van bijvoeglijke naamwoorden, begrijp me niet verkeerd. Ze geven detail of reliëf aan een zin. Maar het werkwoord vormt het beeld. Dus eerst een goed werkwoord en dan een toefje extra. Gebruik je jouw creativiteit niet in jouw werkwoordgebruik, dan is een bijvoeglijk naamwoord garnering op een drol.


Stel, we gaan iets schrijven. Met als onderwerp: “Dichtbij de natuur”. Dat is breed genoeg. En nu gaan we eerst geen rekening houden met onze werkwoorden.

“Ik ruik de heidegrond, een hert loopt voorbij. De grote eiken bewegen, het dode blad valt naar beneden. Eikels vallen naar beneden, de koude wind waait hard. In de lente ben ik hier graag. Wanneer alles bloeit en geurt. Wanneer alles tot leven komt, uit zijn schulp kruipt. Nu is het herfst en lijk ik opeens kaler te worden. Alles is smerig bruin en snotterig. Het enige wat mooi is aan de herfst, is de kastanje. De wilde kastanje tenminste, de tamme vind ik niets. De wilde kastanje in haar groene pantser. Ik haat bruin, maar dat glimmende bruin van een kastanje is oogverblindend fraai. Ik zie cocktailprikkers en mijn oude ‘pake’ met een pijp aan zijn lippen. Samen maken we een pijp voor mij, van cocktailprikkers en kastanjes. Elke herfst weer denk ik aan het bruin van de wilde kastanje en mijn Friese opa”  

Goed, de tekst is geschreven. Er zitten beelden in, ontegenzeggelijk. Maar hebben de werkwoorden meegeholpen? En wat als ze dat nou eens wel zouden doen?

Ik ruik de heidegrond, een hert flitst voorbij. De grote eiken wiegen, het dode blad dwarrelt naar beneden. Eikels ploffen op de grond, de koude wind snijdt door de lucht. In de lente vertoef ik hier graag. Wanneer alles ontluikt en geurt. Wanneer alles leven wil, uit zijn schulp kruipt. Nu de herfst regeert, lijk ik opeens kaler. Alles plakt smerig bruin en snotterig. Het enige wat mooi is aan de herfst, is de kastanje. De wilde kastanje tenminste, de tamme raakt me niet. De wilde kastanje in haar groene pantser. Ik hekel bruin, maar dat glimmende bruin van een kastanje verblindt mijn neerslachtige kijk. Ik zie cocktailprikkers en mij  oude ‘pake’ met een pijp aan zijn lippen. Samen bouwen we een pijp voor mij, van cocktailprikkers en kastanjes. Elke herfst weer warm ik me aan het bruin van de wilde kastanje en mijn Friese opa.“

Nauwelijks heb ik bijvoeglijke naamwoorden veranderd of toegevoegd, toch leeft de tekst meer. Leest het fijner. Mensen, vind het ambachtelijke werkwoord. Voor tempo, voor detail, voor prikkel en leesbaarheid. En dan komt vanzelf die kleurenkoning; het bijvoeglijke naamwoord.